A következő címkéjű bejegyzések mutatása: Holland - Nederlands. Összes bejegyzés megjelenítése
A következő címkéjű bejegyzések mutatása: Holland - Nederlands. Összes bejegyzés megjelenítése

2019. november 17., vasárnap

Preek in Achterberg op 1O nov.2O19

Preek in Achterberg op 1O November 2O19
Text 2Petrus 1,1O

Ik heb een text voorgelezen, die als niet in de Bijbel stond, we zouden zeggen, dat deze van een remontsrantse schrijver stamt, en in tegenstelling met de Bijbel is. Maar deze text is niet van een remontstrantse schrijver, maar van een discipel van Jezus, de beroemdste discipel van Jezus, Petrus, in zijn twede brief. Deze text kunnen we erg moeilijk in onze teologische denken en sisteem te plaatsen.Want we  hebben gehoord, dat we moeten ons beijveren om onze roepeing en uitverkiezing vast te maken. Als zou dit betekenen, dat onze roeping en uitverkiezing zou van ons afhankelijk zijn, zou an ons liggen, als zouden wij dit moeten ratificeren, net als alle afspraken.  Leert de Bijblel niet duidelijk de tegenoverstelde, dat onze roeping is niet afhankelijk van het menselijke wil, van de menselijke ijver en prestatie? Want iedereen van ons weet de text uit hoofd Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.
            Er is interressant te zien, dat sommige bijbelvartalingen proberen dit te verzachten. De ene zegt: probeert de roepeing en uitverkiezing tot een voortdurende ervaring te maken. In een beroemde Hongaarse vertaling staat: probeert de bewustzijn van uw roeping en verkiezing vast te maken. Maar dit is blijkbaar een tegenstelling in de Bijbel, en dit moeten we zo laten, want hier is een geheim die we kunnen niet verklaren. Dit is net als  Fil.2,12-13 Werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven ,want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
Onze  text in ieder geval onderstreept iets , wat ook de meest strenge predestinatieleer , niet vergeten mag, namelijk, dat Gods roeping en uitverkiezing eist onze beslissing, onze antwoord, onze gehoorzaamheid en onze wil. In de oertext vinden we alle twee woorden ekloge en kleszisz, dus de uitverkiezende wil van God en zijn roep naar ons toe. Dus de roeping en uitverkiezing is een aanspreken van God, en we moeten erop een antwoord geven. God behandelt ons niet els poppetjes, als automaten, maar op een persoonlijke manier, dus hij kiest ons zo uit, Hij roept ons zo, dat dit aan ons bewust wordt, en Hij wacht op onze antwoord.
            Onze eerste antwoord is het gebed. Het vastmaken van onze roeping en uitverkiezing bestaat allereerst in gebed. We bidden van harte, vlijtig en met volhouden. Als we bekijken het leven van de reformatoren, dan zien we, dat zij mensen van gebed waren. Iedereen van ons kent het verhaal van de beervel, die vóór de bed van Calvijn lag, en toen hij stierf, de verwandten dachten een mooi geld daaruit te maken, maar toen ze de vel nader bekeken, dan op de vel waren twee gaatjes, die door de knieen van Calvijn gemaakt waren. In de 16-de 17-de eeuw waren ontzettnd vele gebedsboeken uitgegeven, want de mensen wilden bidden, ze hebben veel gebeden. Op de fassade van de kerkelijke school in Debrecen staat met grote letters: orando et laborando, maar is dit zo? Biddend en werkend? Hebben we de eerste niet vergeten?
            Het gebed in dit opzicht betekent, dat we moeten onze roepeing en uitverkiezing met onze God bespreken, doorspreken. We moeten steeds de Heere vragen, dat Hij deze roepeing in ons versterkt en in praktijk zet. We moeten elke dag ons afragen, of beter gezegd de Heere vragen: wilt U mij laten zien, wat betekent deze dag in mijn leven, dat ik uitverkoren ben, dat ik een roeping heb. Wat betekent dir in mijn gezin, wat betekent dit op mijn werkplaats, op school, in de gemeente. Welke zijn de goede werken, die ik vandaag in Uw naam heb te verrichten? Welke zijn die mensen aan wie ik mag van U getuigen? Wat kann ik voor U doen, in Uw koningrijk doen?
De twede is dat we gaan ook werken. Maar wat moete we doen. Daarover geeft onze belijdenis, de Heildelbergse Catechisme een mooi antwoord in de drie ambten, wat we hebben. We hebben allereerst een profetische ambt. Dit betekent eenvoudig onze getuigenis. Zonder getuigenis bestaat geen christelijke leven. We moeten getuigen en zeggen: mij heeft de Heere uitverkoren, ik heb een roeping op deze aarde, en deze roeping is, dat door al mijn leven zijn heerlijkheid moet vermeerderd worden. In alles wat ik doe moet blijken, dat ik een kind van God ben. En we moeten tegen onze medemensen zeggen: God roept jou ook, hij heeft jou ook uitverkoren, Hij wil Jou ook opnemen in zijn geweldige plan. In ons leven moet zichtbaar zijn, dat Christus is in ons. Vele mensen lezen vandaag niet meer de Bijbel, maar we moeten leesbare brieven zijn, een leesbare evangelie te zijn voor de mensen, die ons omringen. Ons profetisch werk is, om een teken te zijn van de verlossing door Christus. We kunnen natuurlijk niemand overtuigen, we kunnen niemand dwingen, om een kind van God te zijn, maar we kunnen toch een middel in de hand van God te zijn, dat mensen zalig kunnen worden.
            De twede werk van ons is de priesterlijk werk.Jezus Christus is onze Hogepriester, die voor ons heeft de grote offer daargebracht.
            De priesterlijke werk betekent , dat we offervaardig dienen. Het gaat niet om een bijzondere ceremonie, want dit is een innerlijke , een geestelijke offer. Dit betekent eenvoudig, dat een christenmens wijdt zijn leven helemaal aan de dienst van de glorie van God toe. Een gelovige vrouw offert zo haar leven, dat ze is bereid kinderen te baren, opvoeden in de vreze van God. Ze is bereid haar schoonheid, kracht heen te geven voor de geluk van haar kinderen. Een vader  doet een priesterlijk werk, als hij bereid is met de zweet zijns aangezichts te arbeiden, en zo de brood voor zijn gezin te verwerven. En iedereen op zijn plek moet een offer brengen, niemand mag in een egoistisch, en hedonistisch levenstijl leven. Als priesters kunnen we dienen en liefhebben. De beroemde uitspraak van Calvijn luidde: Cor meum velut mactatum tibi offero, Domine! Mijn gebroken hart geef ik als een vurige offer aaan U Heere!
Maar we hebben ook een koninglijke ambt. Wij zijn een koninglijke priesterdom. Dit betekent drie dingen voor ons. Eerst dat we moeten strijden onder de vlag van Christus. De Cathechismus leert ons, dat we tegen de zonde en duivel met vrije geweten strijden zullen. De alles beslissende strijd is al gebeurd op het kruis van Golgota, als Jezus riep: het is volbracht. Maar nu elke mens moet een beslissing nemen, wil hij of zij voor Christus en tegen de zonde, of voor de duivel tegen Christus wil strijden. Deze strijd is niet makkelijk, het is een zware strijd. O, hoe vaak hebben we al verloren, hoe vaak durfden we niet tegen de zonde en duivel opnemen. Hoe vaak hebben we compromissen gesloten met deze wereld, en we hebben niet moedig tegen de wereld gestreden. We moeten deze strijd niet met onze kracht volbrengen, maar met zijn kracht, maar  onze koningsambt betekent even, dat wij met zijn kracht en hulp mogen rekenen.
Ten twede, de koningsambt van ons betekent, dat we kunnen in de overwinning gewis, zeker zijn. Het is niet makkelijk te geloven, dat in deze wereld de liefde van Christus zal overwinnen. Maar wij geloven vast, dat de liefde van Christus de grootste macht in deze wereld is. Wij moeten strijden in de wetenschap, dat we zijn alleen op zijn genade aangewezen. Ten derde deze ambt betekent voor ons, dat we zullen het eeuwige leven vererven. Op deze aarde leven we in een voortdurende strijd, maar na de strijd wacht ons de vrede en rust. Daar zal een eind zijn aan alle worstelingen en zielenpijn. Daar zullen we deelachtig zijn in Zijn eeuwige overwinning. In het boek Openbaring aan de gemeente van Laodicea wordt beloofd: die overwint, ik zal hem geven met mij zitten op de troon. Dus we zullen samen met Hem heersen, dit kunnen we nu niet eens voorstellen, maar we mogen dit wel geloven.
Nadat wij hebben erover gesproken, dat we moeten onze roeping en uitverkiezing vast maken door bidden  en werken, we zullen tenslotte spreken over het feit, dat het versterken van onze roeping en uitverkiezing is een gemeenscahappelijk zaak. Niemend kan zijn of haar eigen roeping en uitverkeizing versterken, zonder dat hij of zij de roepeing en uitverkiezing van de andere mens, van de medegelovige vast maakt. Ook als we zo voelen, dat onze roeping en uitverkiezing op zwakke benen staat. Ik beroep nu op een andere gemeente uit het Boek Openbaring, de gemeente van Sardis. Deze gemeente had de naam, dat zij leeft, maar ze was dood. En toch, deze gemeente krijgt de opdracht te sterken, degenen, die aan het sterven waren. Ook als ik me zwak voel in het geloof, ik heb de heilige taak de andere gelovige, de naast mij leeft, die naast mij zit, die naast mij werkt te sterken in zijn roeping en uitverkiezing.
            Dit woord, die we als text gelezen heebben is eigenlijk een bevel, een gebod. Maar God bevelt ons nooit iets wat onmogelijk zou zijn, in tegendeel,als Hij ons iets bevelt, dan geeft Hij ook kracht en mogelijkheid dit te doen, om aan dit gebod gehoorzaam te zijn. Als we dit doen, als we onze roeping en uitverkiezing vast maken, en ook anderen in deze sterken, dan zullen we ervaren, dat God met al zijn macht ons bijstaat, ons erin helpt. Maar God heeft ons ook twee middelen, twee sacramenten gegeven, dat deze onze roeping en uitverkiezing verterken: de doop en de avondmaal. Iedereen van ons kent het verhaal van Luther, dat één keer was hij erg vertwijfeld, erg wanhopig, hij zat moedeloos bij zijn tafel. Dan pakte hij plotseling zijn mes, en heeft ermee twee woorden in zijn tafel gegraveerd.  Baptidzatus sum, dus ik ben gedoopt. En deze twee worden hebben hem altijd kracht en troost gegeven in de moeilijke situaties van zijn leven. Ik ben gedoopt, u bent gedoopt, jij bent gedoopt, dat mogen we nooit vergeten. De andere sacrament is de avondmaal. De Heildelbergse catechismus zegt, dat de Heere heeft aan ons bevolen, dat we uit deze brood eten, en dat we uit deze beker drinken. Bij de avondmaal gedenken we de grote offer, die de Heere voor ons heeft gebracht, door het breken van zijn lichaam en door het vergieten van zijn bloed. Wat kon ons meer sterken in onze roeping en uitverkiezing, dan deze twee sacramenten. Calvijn leert ons, dat de sacrament is een pand, een garantie, dat al zijn beloften zulleen in ons leven in vervulling gaan.
            Samenvattend: de Heere heeft ons geroepen, de Heere heeft ons uitverkoren, om zijn kinderen te zijn. Hij bevelt aan ons deze reoeping en uitverkiezing door het gebed, door het werken, door de gemeenschap en door de sacramenten steeds en opnieuw te versterken. We kunnen zo verzekerd zijn, dat ons leven is niet tevergeefs, maar wel zinvol op deze aarde, we hebben hier een roeping, we zijn uitverkoren om op zijn eer, op zijn glorie te leven, om zijn wil gehoorzaam te zijn. Deze vastmaking heeft nooit een eind, we kunnen nooit zeggen: nou, mijn roeping en uitverkiezing zijn al vast, ik mag nu wat rusten. De volle zekerheid, de volle zaligheid zullen we pas na dit leven bereiken, hoe onze Catechismus dat leert. Daarom lieve broeders en zusters benaarstigt u, beijvert u des te meer uw roeping en verkiezing vast te maken, want dit doende zullen we niemmermeer struikelen!
                                                                        

2019. szeptember 15., vasárnap

Preek in Schoonhoven 22 september 2O19


Preek in Schoonhoven op 22 sept.2O19
Lezing: Johannes 17,13-26 
Text:Johannes 17, 2O-21

Ik groet U heel hartelijk in de naam van onze Heer Jezus Christus. Er zijn al een paar goede jaren voorbijgegaan, sinds we bij u waren, met de intrede van koning Willem Alexander. We zijn blij, dat we weer met 4 ouderlingen weer onder u mogen zijn. De thema van onze gemeenschappelijke bespreking waren de verschillende aspecten van het gemeenteleven. Ik heb voor deze dag een moeilijke  thema gekregen: éénheid en verscheidenheid in de gemeente. Over deze thema te spreken is nergens makkelijk, maar hier in Nederland is bijzonders moeilijk. Wij hebben een heel andere geschiedenis, als Jullie hier in Nederland. We leven daar samen met andere volkeren en denominaties. In onze stad leven samen Roemenen en Hongaren, roomsen, orthodoxen, gereformeerden, luthersen en de zog. neoprotestanten, die hier evangelischen worden genoemd. Deze samenleving geeft spanningen, maar we moeten toch met allen de vrede zoeken.
            Ik probeer in deze preek heel eerlijk te zijn, maar ik wil ook niemand kwetsen. Ik hoop dat de éénheid, die onder ons al meer dan 23 jaren bestaat, zal niet instorten.
            In de apostolische geloofsbelijdenis belijden wij ook, dat wij geloven in een algemene , christelijke kerk. Wij weten dat dit woord in het grieks luidt: katholiek. Dit is natuurlijk wat anders, dan “rooms- katholiek”, maar dit wil zeggen dat God heeft maar één kerk op deze aarde, verspreid op alle continenten en landen van deze wereld. In de Heidelbergse Catechismus staat ook dat Christus vergadert zijn kerk uit het ganse menselijke geslacht van het begin van de wereld tot het einde. De kerk begint dus al in de paradijs. Al Adam en Eva waren lid van deze kerk.
            Er wordt veel gesproken van Pinksteren, als de geboortedag van de kerk. In zekere zin kun je dit ook zo beweren, als we denken aan de christelijke kerk, die is daar ontstaan met de prediking van Petrus. Maar de kerk is al begonnen in de oude verbond. Daar had al God een volk, de Joodse volk, en pas dan met het zendingswerk van apostel Paulus begint de kerk tussen de heidenen ook verspeiding vinden. De kerk ligt op de fundament van de profeten en van de apostelen. De kerk heeft zijn wortels in de Jodendom, ook als de Joden hebben Christus als Messias verworpen. Maar de gemeente blijft een gemeente van Joden en christenen. Wij hopen dat in de eindtijd de Joden zullen ook tot bekering komen en zich voegen aan de gemeente van Christus.
            Dus God heeft al met Adam en Eva begonnen. God is dan vervolgens de God van Abraham Izaak en Jakob. De kerk blijft verbonden met Israel, ook als Israel wil niet van kerk horen en tot de kerk behoren. De kerk moet blijven bidden voor de bekering van Israel, van de oudere broeder.
            De grote vraag is: waarin ligt de eenheid van de kerk? In  enigheid van het ware geloof. Alle ware gelovigen, ook al zij tot verschillende kerkgenootschappen behoren herkennen elkaar in het geloof. Jezus zegt, dat degenen horen tot zijn kudde, die zijn stem horen en volgen. Ze herkennen zijn stem uit duizenden. Daarom ze zullen niet een vreemde volgen, want die heeft
2
een andere stem. Om wat een geloof gaat het dus eigenlijk? Om het geloof in de ene God, de God van Israel, de Vader van Jezus Christus. Het gaat om de  ene volmaakte Verlosser , die is gekruisigd en is opgestaan uit de doden. In dit geloof kunnen we elkaar vinden over verschillende taal en kerkmuren heen.
            Deze door Christus vergaderde kerk wordt vervolgens ook door hem beschermd en onderhouden. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: deze heilige kerk wordt door God staande houden, tegen het woeden van de hele wereld, hoewel ze soms een tijdlang zeer klein is en tot niets schijnt te zijn geworden in de ogen der mensen.
Er kann geen twijfel erover bestaan, dat alle christenen zijn tot eenheid geroepen. Heel nadrukkelijk bidt Christus daarom in zijn hogepriesterlijk gebed in Johannes 17. Het gaat om een geestelijk eenheid, maar ook om een zichtbare eenheid, een eenheid in waarheid en liefde. Dit is eigenlijk de gemeenschap der heiligen. Dit is een belangrijke artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Dit wordt door verschillende kerken verschillend uitgelegd. De Heildelbergse Catechisme geeft een erg mooie uitleg in vraag een antwoord 55. Hier zien we de basis van de eenheid van Gods kinderen. De gelovigen allen en iegelijk, als lidmaten aan de Heere Jezus Christus en aan al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dus, dit betekent, dat elke gelovige is vertikaal verbonden met Jezus Christus door het geloof, maar ze zijn ook horizontaal met elkaar verbonden ook door het geloof. Des te sterker is de band met Christus, des te sterker is de band ook met elkaar. Dit betekent, dat elke gelovige heeft gemeenschap met Christus, maar tegelijkertijd ook met elkaar. Dit is wat wij gemeenschap der heiligen noemen.

Ik stel u die vraag maar: heeft u een band met Christus?  heeft u liefde tot Hem ? En daaruit voortvloeiend heeft u liefde tot elkaar !! En tot de gemeente ? Tijdens de conferentie denken we daar over na... eenheid en gemeenteopbouw het krijgt pas vorm als Gods goede Geest u bezield en over u komt dat is wat God wil werken door de prediking heen.

            En natuurlijk de gemeente van Christus is een erg bonte maatschappij, daar zijn jongeren en ouderen, vrouwen en mannen, rijken en armen, ongeletterden en geleerden, gezonden en zieken, zwakken en sterken.
            Maar de grote vraag is, of dit eenheid ook wordt  beleefd, is het realiteit onder ons, of blijft het een mooi woord, en is de realiteit  heel wat anders. Want we zeggen zo deftig, dat wij geloven in een, algemeen christelijk kerk, (we hebben dat net ook met elkaar beleden) maar de realiteit is, dat er zijn honderd soorten kerken, er zijn de roomsen, de protestanten, de ortodoxen, de evangelischen, maar zelfs de gereformeerden zijn in zo vele kerken verdeeld. Hoe kun je hier in deze verschillendheid de eenheid met elkaar vinden? We kennen allemaal de beroemde uitspraak: in de hoofdzaak eenheid, in de bijzaak vrijheid, en in alles de liefde. Het is heel erg belangrijk, dat wij duidelijk zien, wat ons met elkaar over alle kerkmuren verbindt, waarin we één kunnen zijn, en wat zijn die dingen, waarin we elkaar de vrijheid geven, waarin de eenheid niet noodzakelijk is.
           
3
Ziende de verschillendheid tussen de kerken, we kunnen al gauw voorstellen, dat de eenheid betekent niet uniformiteit, eenvormigheid. Het is niet zo, dat we pas dan één kunnen zijn, als  we allemaal dezelfde bijbelvertaling gebruiken, als we allemaal dezelfde liederen, en ook op dezelfde manier zingen, ritmisch of niet ritmisch, of we alleen maar psalmen zingen of ook gezangen, als we allemaal dezelfde kleding voorschriften hebben of juist niet hebben, of we vrouwelijke ambtsdragers hebben of niet ... ik weet dit is in Nederland een grote twistzaak....maar ook als we zondag een ijsje kopen of niet kopen, bellen of niet bellen, fietsen of niet fietsen, ...... maar ook of de predikant de hele week in zwarte pak loopt of niet loopt, als wij de avondmaal zittend eerbiedig vieren..of lopend ontvangen, als we een kerstboom hebben of niet hebben, als we onder de kerstboom cadeaus zetten of dit we alleen met Sinterklaaas doen of we in de kerk kunnen fotos maken of niet, of wij de televizie in de woonkamer, of alleen op de zolder in een kast hebben en kijken, .....en zo kan ik nog veel meer dingen opsommen.Wij daar in Roemenie hebben een heel andere traditie, een heel andere geschiedenis achter de rug. Als ik thuis in Roemenie vertel, dat in Nederland sommige van dezen een belangrijke twistpunt is, dan kunnen de mensen bij ons dit absoluut niet volgen. Als ik vertel, dat in Nederland zijn er nog meer dan 1OOO zulke thuislezers, die alleen maar de preken van ds, Pauw lezen, dia la merr dan 6O jaar geleden overleden is, want voor hen hij is de enige zaligmakende prediaknt, dan kunnen ze absoluut niet begrijpen. Maar ook niet als ik vertel, dat bij de oud-gereformeerden moet je de bekering in 7 etappen, met precies aangegeven tijdstippen meemaken. Voor mij, als tolk en begeleider ban Nederlanders uit verschillende kerken en stromingen, is soms heel moeilijk de evenwicht te vinden. Ik geef u  een voorbeeld. Ik vertaal ook voor een stichting , die onder gevangenen werkt , ze zijn hersteld hervormd gereformeerden, die vroeger gekrookte riet genoemd waren. Één van de groep der Nederlanders is roker. Wij komen in het zuiden van het land in evangelische kerken. Daar wordt geen alkohol gedronken, en ook niet gerookt. Deze twee worden samen met de hoererij in bijna elke preek als de drie hoofdzonden genoemd. Met de alkohol is er dan nog niet zo een groot probleem, want dat nuttigen we meestal s avonds voor onze broze lichaam in de vorm van een koude bier, als onze gastgevers al weg zijn, ..... maar er is een groot probleeem met het roken. Want de Nederlandse broeder, die wel aanstoot neemt aan het feit, dat de christenen daar ook op zondag met een mobiel lopen en bellen, en sommige meiden met een broek omlopen, en al dat soort dingen... hij kan dat maar niet begrijpen, ......tegelijk zijn gedrag door te roken is daar  een aanstoot als hij na de dienst in de deur van de kerk  hij snel een cigarettje aan steekt om na twee uur durende dienst zijn velle nikotinedorst te stillen. Maar dan zit ik de war, want dan komen de lieve gelovigen daar tot mij en vragen mij: is deze broeder een gelovige, is hij bekeerd? Ik antwoord zonder aarzeling, jazeker. Maar dan krijg ik gelijk de vraag: dit kan toch niet, want roken en drinken is zonde. Ik probeer dan een saambindende antwoord: ja, dit geloof ik, maar in Nederland is roken en drinken , natuurlijk met mate geen zonde. Dit antwoord geeft enig rust voor de lieve broeders en ze gaan hoofdschuddend weg. Ik vertel dit aan u, om een beetje aan te geven, hoe moeilijk het is over hoofdzaak en bijzaak te praten, en te beslissen, wat is nou hoofdzaak en bijzaak. Want wat hier voor vele christenen hoofdzaak is, is bij ons een bijzaak, en wat daar hoofdzaak is, is hier een bijzaak.
            Paulus in 1Cor.9 zegt een interressant woord. Hij zegt, dat hij voor de Joden geworden is als een Jood, en voor de Grieken als een Griek. Voor de Jood is hij onder wet, voor de Griek is hij zonder wet, ik bedoel de wet van Moses. Hij zegt, dat hij allen alles is geworden, opdat hij enigen zou kunnen winnen voor het evangelie. Iemand kon zeggen: Paulus is een windhaan, die
4
karakterloos met alle winden meewaaide, hoewel dit helemaal niet waar is. Want hij zegt niet: voor de hoeren ben ik een hoer, voor de dieven een dief, en voor de moordenaars een mordenaar geworden! Dit moeten we niet zo uitleggen, dat hij probeerde het evangelie aan allen aanpassen, na de smaak en gevoel van de hoorders praten, en de scherpe kanten heeft hij allemaal afgesneden. Hij probeerde de cultuur van de mensen te begrijpen, en zo het evangelie aan hun te brengen. Ik zal daarvoor ook een voorbeeeld geven. Ik sprak een keer een Nederlandse predikant, die ging voor een paar jaren naar Canada, om daar een gemeente te verzorgen. In de canadeze cultuur, net als bij ons is zo, dat iedereen heeft een kerstboom in december in zijn huis, onafhankelijk van licht en zwaar, links of rechts, buiten of binnen verband. Maar deze predikant kon dit absolutt niet tolereren, en hij heeft een verschrikkelijke grote strijd tegen de kerstbomen gevoerd, en hij was erg trots, dat in de zes jaar, wat hij daar stond , is gelukt de kerstbomen uit te roeien. Maar de vrouw zei tegen mij: en zodra we weg waren uit de gemeente, iedereen heeft weer een kerstboom in zijn huis gehaald. Ik vraag me af: heeft zich geloond deze strijd te voeren, heeft zich geloond zo veel energie te gebruiken in zo een bijzaak te verstoppen. Overigens toen ik vertelde dat wij zelfs in de kerk een mooi kerstboom hebben met kerstfeest, dan zei hij woedend: ik zou dit uitgooien. Bij de afscheid zegt hij tegen mij: je bent ook andere keer welkom. Jij ook antwoorde ik, maar niet met kerstfeest, want we willen niet, dat onze mooie kerstboom wordt uitgegooid, en las je dit doet zullen we je neerschiten. Ik wilde ermee alleen laten zien in welke belachelijke situaties komen wij terecht, als we beginnen over de bijzaken ruzie maken, als we met wettische regels bezig zijn.
            De grote vraag is natuurlijk: hoe ver kunnen en mogen we gaan in de vrijheid, waar is de punt waar we niet meer kunnen meegaan? Dit is voor mij de persoon van Jezus Christus. Ik kan niet meegaan, met degene, die Christus niet als Gods Zoon, als Verlosser en Zaligmaker erkent. Ik kan niet meegaan met degene, voor die het kruis van Christus en zijn lijden en zijn bloed, niet de enige grond van de verzoening, zondenvergeving en eeuwige leven is. Ik kann niet meegaan met degene, voor wie de offer van Christus niet genoeg is, of die hoopt door zijn eigen goede werken in de hemel te komen. Ik kann niet meegaan met degene, voor wie Christus geen hoofd van de kerk is, de enige Middelaar tussen God en mensen. Ik kaan niet meegaan met degene, die beweert, dat deze wereld is niet door God geschapen, en deze wereld is nit in de voorzienende handen van God. Ik kann niet meegaan met degene, voor wie de Heilige Geest geen God is, alleen maar een onpersoonlijke kracht. Ik kann niet meegaan met degene, voor wie de rechtvaardiging niet alleen door het geloof in Jezus Christus is, en die de heiliging niet ernstig neemt. Ik kann niet meegaan met degenen, voor wie de Glorie van God niets betekent. Ik kann niet meegaan, die beweert, dat de Bijbel niet Gods Woord is, door Gods Woord geinspireerd, en die is maar als alle andere boeken puur door mensen geschreven is.  Ik kann niet meegaan met degene, die de zonde goedkeurt, en de morele geboden van God met voeten treedt, die niet met goede geweten tegen de duivel en de zonde strijdt. Ik kann niet meegaan met degene die onder de leuze van tolerantie zegt, dat alles mag. 
            Waar deze geloofswaarheden wegvallen, daaar kunnen we niet meer over kerk praten, alleen over een gemeenschap. Maar gemeenschap kunnen ook andere dingen geven. Er is goenoeg, dat een sluwe ronde gummibal in beweging komt in een stadion b.v in de Ajaxarena, dan schreeuwen al tienduizende mensen uit één keel en met één hart. En in het bijzonder als deze sluwe gummibal lukt in de poort van de andere ploeg te brengen, dan slaat de vurige
5
enthousiasme tot in de hemel.Maar is dit een ware en een liefdevolle gemeenschap? Hoe lag duurt en hoe diep  is er?
            Natuurlijk de grootste probleem is, dat we ondanks het feit, dat wij in één kerk geloven, we zien dit niet hier in Schoonhoven of daar in onze stad. Dit is in het bijzonder hier in Nederland een droevige realiteit. Ik was erg droevig 6 jaar geleden, toen we het laatst hier waren bij de intrede van de niewe koning, er was een ocumenische dienst en we waren maar een handvol mensen aanwezig. Ik vroeg me af: wat heeft de kerken belet om samen voor de nieuwe koning te bidden? Waarom konnden de roomsen en de meerdere protestantse kerken niet samen bidden, dat God de nieuwe koning zou zegenen en kracht geven?
In ons land elk jaar in de derde week van januarie wordt de zog. Okunmenische gebedsweek gehouden. Daar gaan de 4 historische kerken samen een eredienst  vieren. Elke avond wordt de dienst in een ander kerk gehouden, door een andere predikant.Voor deze week wordt de thema door een land uitgewerkt, waar zich alle kerken vertegenwordigen. In deze diensten proberen we de éénheid te beleven, we proberen elkaar niet te kwetsen, te spreken in de daad over wat ons verbindt en niet over wat ons scheidt.
Deze bede van Christus is erg diep en omvattend. Christus bidt hier alleen om het feit, dat de gelovigen hier op de aarde onder elkaar één zouden zijn. Natuurlijk bidt Hij ook voor. Maar zijn bede is meer omvattend. Hij bidt dat alle gelovigen met de hemel één zouden zijn, eens met de Vader, Zoon en Heilige Geest Christus bidt hier niet om een menselijke éénnheid. Zoiets kann de wereld ook in een voetbalstadion produceren, hoe we dit al gezegd hebben. De éénheid van de Christenen heeft een heerlijk doel, dat de wereld zou geloven, dat Christus is door de Vader in de wereld gestuurd. Met elkaar ruzie makende, met elkaar twistende, scheurende, elkaar verachtende,  elkaar  voor belachelijke dingen onbarmhartig veroordelende christenen zijn niet de beste reclame voor de zaak van Christus. Een zulke christendom, een zulke kerk is niet aantrekkelijk voor de wereld, veel meer aanstootgevend. Ruzie maken, met elkaar twisten, elkaar verachten, elkaar onbarmhartig veroordelen, deze kunst kann de wereld ook zelf beoefenen, daarvoor heeft ze geen kerk nodig. Maar als de wereld ziet, dat de christenen ondanks verschillen in cultuur, beleving, in de bijzaken ééns kunnen zijn, en van elkaar houden, dit kon mensen uit de wereld in de kerk lokken. Er zit veel in de spel: ongelovige, buitenstaanders kunnen aangetrokken of afgestoten worden.
Ik heb ook een prachtige persoonlijke ervaring  meegemaakt. 12 jaar geleden was ik deelnemer van een conferentie van Prison Felowship, een wereldweide stichting, die in gevangenissen bezig is, gesticht door Charles Corlson, de raadgever von president Nixon, die na de Water gate skandaal in de gevangenis kwam, en daar tot levend geloof  is gekomen. Nou op deze conferentie in Toronto waren we uit ongeveer 13O landen, ongeveer 7o kerken ongeveer 1OOO personen. De conferentie eindigde met een gemeenschappelijke avondmaalsviering. Sommigen in Nederland zouden zeggen: dit kann toch niet, maar toen kon het wel. En in dat moment, waar 1OOO mensen, uit 13O landen en uit 7O kerkgemeenschappen begonnen op te staan en tot de avondmaal gaan, ik had een gedachte. Ik beleef nu al, wat in het boek openbaring staat, dat een ontelbare menigte zal staan aan de oefer van de glazerne zee, met palmtakken  en harfen in de hand zingend de lied van Moses en van het Lam. Ik kann dat moment nooit vergeten. Toen
6
voelden we dat alle kerkmuren zijn in de daad gevallen en we waren één in de bloed van Jezus Christus.
            Wij moeten natuurlijk onze gereformeerde identiteit nooit opgeven. Als dit ons iemand van ons vraagt, dat moeten we eerlijk zeggen, ik kan niet meegaan. Maar we kunnen ook niet de roomsen, ortodoxen, evangelischen dwingen, dat zij hun identiteit opgeven. Wat hun betreft is mij de spreuk van Richard Wurmbrandt doorslaggevend: als iemend zegt, dat God zijn Schepper, en Christus zijn Verlosser is, die is mijn broeder en zuster in Christus.
            Tenslotte nog een opmerking: ik denk dat de groffe veroordeling en verachting van de christenen van andere kerken, die in de bijzaken anders denken niet nuttig is en God zegent dit niet. We zijn niet geroepen om elkaar te veroordelen, maar om elkaar te getuigen van ons allerheiligst geloof. We kunnen de andere kerken en de wat anders denkende christenen niet veranderen. Ik zeg met liefde degenen, die andere kerken en christenen liefdeloos veroordelen: let op, want in de hemel zullen ook roomsen, ortodoxen en evangelischen zijn en we moeten daar ook in elkaars ogen kijken.  Het zou erg vervelend zijn, als we daar onze ogen moeten neerslaan, omdat we hier, op de aarde  elkaar zo liefdeloos en onbarmhartig hebben veroordeeld. Het is erg triest, dat er zo vele kerken zijn, maar er is toch zo goed, dat God wil alle kerken, die in Zijn Zoon Jezus Christis geloven zegenen. We mogen niet vergeten : in deze éénheid geloven wij. In de Apostolische geloofsbelijdenis staat niet dat we zien, de ene algemene , christelijke kerk, maar er staat: wij geloven in deze kerk. In de éénheid van de kerk te geloven, is alleen maar mogelijk als je op Christus en zijn verlossingswerk kijkt. Als we op ons, en op de verdeeldheid van de kerken zien, dan kunnen we alleen vertwijfelen. Maar we zijn niet geroepen om te vertwijfelen, maar om te geloven. De pijn, dat er in plaats van één kerk meerdere kerken zijn zal ons blijven, we moeten deze pijn levenslang dragen. We zullen altijd eronder lijden, dat er een roomse, dat er een ortodoxe en ptotestantse en een evangelische kerk bestaat. Dit hoort tot de “voorlopigheid” van ons aardse bestaan. We leven nog niet in voleinding, maar in advent, we verwachten maar, wat volkomen is. Maar ook ondanks dit geloven we in één kerk. Niemand mag zeggen,: ik geloof niet in de opstanding, omdat er nog doden en graven zijn, ik geloof niet in genezing, omdat nog zieken zijn. Zo kunnen we ook niet zeggen: ik geloof niet in de ene kerk, want nu nog zo vele kerken zijn. Christus heeft gebeden voor de éénheid van de kerk, en dit kann niemand ongeldig maken. Wij geloven in de éénheid van de kerk, ook al we dit nu nog niet zien. 
            De verdeeldheid van de kerken, moet ons nog meer heimwee geven, naar de hemel, waar de kerkmuren zullen niet meer zijn, en we zullen volledig ééns zijn in het loven en prijzen van God en van de Lam. Wij geloven, dat de belofte, er zal één herder en één kudde zijn, in vervulling gaan. Daarom laten we ons tezamen roepen :Maranatha! Kom o Heere Jezus en maak uw kerk één! Amen


2017. május 19., péntek

Preek in Putten op 21 mei

Lezing: 2 Cor.5,1-10 Text. 2 Cor.5,1

            Ik groet U heel hartelijk in de naam van onz Heere Jezus Christus. Er is goed weer onder U te mogen zijn. Al jaren heb ik niet meer in Putten gepreekt, maar nu is mij weer gegeven dit te doen. Als ik goed rekende, dan deze is de 7-de keer dat ik dit mag doen.
            De gedachte om even over de text preek heeft mij de nabijheid van de Hemelvaartsdag gegeven. Volgens mij deze gedeelte is de ene van de belangrijkste en de mooiste plekken in de Bijbel, waar we over de hemel lezen. We kunnen de vraag stellen: zijn de mensen nog geinterresseerd aan de hemel? Of hebben ze de hemel al helemaal vergeten? Hebben zich al de mensen helemaal afgekeerd van de hemel, en zijn ze maar aan de aarde toegekeerd? Zou erg interressant zijn om de mensen op straat te bevragen om te weten: hoeveel mensen weten nog, dat de enige doel van ons leven is, dat we onze Zaligmaker leren kennen en dat we zo door Hem in de hemel komen.
            Maar hoe kom je in de hemel? Hoe is dit mogelijk? Hoe gebeurt dit? Op deze vragen Paulus geeft eerst een antwoord en zegt: er is een hemel. „ Wij weten immers dat, wanneer ons aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen”. Dus ons aardse leven lijkt op een tent, deze aarde is een grote kampingsplaats, waar we voor een poos onze tent opslaan, maar één keer komt de tijd dat  onze tent afgebroeken wordt. Dus ons aardse leven is maar voorlopig, duurt alleen een poos. Maar wat troostend, dat Paulus weet en we kunnen ook weten van een andere huis, niet door mensen ontworpen, niet door mensenhanden gemaakt, een eeuwige huis in de hemel.
            Het is opvallend dat Paulus zegt hier: we weten. De apostel gebruikt dit woord niet zo vaak. Maar hier, net hier waar het over de hemel gaat, zegt hij: wij weten. Maar waar weten we vandaan dat er een hemel is, en dat daar een huis ook voor ons klaarstaat. Van waar halen we kennis over de hemel? Nou,dit is niet een moeilijke vraag, en de antwoord is eenvoudig: van Jezus Christus. Want Hij is uit de hemel op de aarde gekomen en heeft Zijn tent onder ons opgeslaan. .Ja, Christus kwam uit de hemel en heeft ons aardse leven op zich genomen, met al zijn gebrekkigheid, met al zijn ellende en verkankelijkheid. En op de Goede Vrijdag was ook zijn tent afgebroken. Hij heeft al tevoren gezegd: breekt deze kerk af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen..Hij sprak toen over zijn lichaaam. Dit was een verschrikkelijke afbraak daar op het kruis. En in de paasnacht God heeft deze tent op een gehemnisvolle manier weer opgebouwd, als Christus was opgestaan. Als de discipelen Jezus zagen, dan zagen ze al dit huis, die niet door mensenhanden gemaakt is. Maar het is wonderlijk, dat wie in Christus gelooft, met die zal net dat gebeuren, wat ook met Jezus gebeurde, aan die geldt de belofte: in mijn vaders huis zijn vele woningen, ik ga heen om Jullie daar een plaats te bereiden. Het is een grote troost, een grote zekerheid voor ons, dat we mogen weten, als onze aardse tent afgebroken werd, dan hebben we een eeuwig huis door God gemaakt in de hemel.
            De grote vraag is dan: wat gebeurt, als deze aardse tent afbreekt, als iemand sterft? Hoe moeten we deze geheimzinnige huiswisseling voorstellen? Hoe gaat door, hoe gebeurt deze verhuizing uit de aardse tent in het eeuwige huis? We proberen dit menselijk met verschillende beelden voor te stellen. Vele mensen stellen zich dit voor als een grensovergang. Als we geen smoggelgoed hebben, en als onze papieren in orde zijn, dan hebben we van niets te vrezen. Weer anderen stellen dit is net zo voor, als we in een huis via een deur uit de ene kamer in de andere treden. Maar Paulus en de Heilige Schrift, zien de dood niet zo eenvoudig  De dood is niet als een kaars uitblusst aan het eind. De dood is straf op de zonde, oordeel over onze zondige bestaan. De dood is een vijand, die ons aanvalt. Jezus moest komen om met deze vreeslijke vijand een eind te maken, dat zijn prikkel weg zou nemen. Dit is gebeurt op de paasdag. Maar de dood ook met een weggenomen prikkel is een vreeslijke vijand. Ook voor Paulus is niet makkelijk om tegen de dood te kijken. Ook Paulus wilde, dat hij moest niet over de dood gaan, maar hij wilde direkt bij de Heere te zijn.  We lezen hier twee keer over het zuchten. Paulus zucht, ook omdat hij weet: het is niet zo makkelijk te sterven, daarom wilde hij ook de dood  ontsnappen, en direkt bij de Heere te komen. Hij gebruikt hier een beeld, die we vanuit de tijd van het communisme heel goed kennen. Als men wilde b.v. een nieuwe pastorie bouwen, en de toestemming niet te krijgen was, dan heeft men de oude gebouw niet afgebroken, maar naast, of beter gezegd romdom, de oude gebouw in stilte heeft men een nieuwe opgetrokken, en pas nadat de nieuwe klaar was, heeft men de oude afgebroken. Zoiets wilde ook Paulus, eerst bij de Heere te zijn, en pas daarna sterven. Als Paulus erover schrijft denkt hij misschien aan de twee mensen van de oude testament, die de dood niet gesmaakt hebben, maar ze zijn zonder dood in de hemel gekomen. Deze waren Henoch en Elia. En er zijn een generatie zijn, die dat ook beleven, de generatie van de wederkomst, ze zullen niet sterven , maar in één ogenblik omgewandeld en tot de Heere komend. Paulus wilde ook zo graag tot deze genaratie behoren, wie weet misschien zullen wij deze generatie zijn?
            Dit klinkt een beetje egoistisch, als wilde Paulus voor zichzelf iets bijzonders, iets buitengewoons vragen. Maar het is niet zo. Paulus denkt niet alleen op zich. Paulus drukt hier de wens van elke christenmens uit. Nog meer: Paulus ziet in de hele schepping een verlangen naar de hemelse dingen. Paulus wenst dit niet alleen voor zichzelve, maar voor elke christenmens.
            We moeten nog een andre misverstand hier vermeiden. Er zijn vele mensen, die willen sterven, omdat ze moeten erg veel lijden. Ze willen sterven, om niet meer hoeven te lijden. Bij Paulus is dit heel anders. In de centrum van zijn begeerte staat Christus. Hij wil sterven, omdat we zijn nog niet bij Christus. Het is waar: we zijn al verloste mensen, maar dit is nog niet de volheid, de vervulling, er ontbreekt nog iets. We zijn nog in de vreemde, we zijn nog in doorreis naar onze ware land. Paulus gebruikt hier een bijzondere uitdrukking. We zijn nog ver van de Heere. We zijn nog niet zo dicht bij, als we dit wilden, als we één keer zullen zijn.
            Dit kunnen de zonen van de wereld nooit begrijpen. In tegendeel, ze bespotten degenen, die erover praten, die het verlangen hebben, om in de hemel te komen. Maar de mensen van de Bijbel weten: ik ben een vreemdeling op aarde, net als allen, die vóór mij waren. We hebben hier geen blijvende stad, maar we zoeken de toekomende. Hier kon iemand zeggen: ja, maar de christenen verachten de arde, zijn droomers, ze staan niet met twee voeten op de aarde, ze wandelen in de wolken. De communisten hebben de christenen beschuldigd, dat ze willen de mensen vertroosten in de moeilijkheden van vandaag, met een toekomst, die onzeker is in de hemel. Ze willen de mesen verdoven, om de pijn van dit leven beter te kunnen verdragen. Maar ze hebben geen gelijk. We zijn niet dromers, we zijn niet wolkenwandelaars, we verachten niet deze aarde, alleen we weten, dat er is iets beters, iets hogers als deze aarde, iets mooier, en als we dit weten, het is vanzelfsprekend, dat we verlangen om eens daar te komen. Eeen keer een diep gelovige man lag op sterfbed. Hij heeft tegen zijn kinderen gezegd, dat als hij sterft en opgebaard zou liggen in de lijkkist, dan moeten ze op zijn borst een vork leggen. De kinderen vroegen verbaasd: maar waarom even een vork? Hij zei toen: als we kinderen waren, was grote armoede en meestaal hebben we alleen één bord soep gekregen, en naast de bord stond maar een lepel. Maar heel soms, meestaal op feestdagen stond ook een vork bij. Dan wisten we kinderen, dat na de soep komt nog iets beters, komt ook vlees. Als iemend dan zal vragen, waarom op mijn borst een vork ligt, dan moeten Jullie zeggen: ik wist, dat na dit aardse leven iets beters zal komen. Dan komt het hemelse leven, dicht bij de Heere, zonder zonde, moeite en verdriet.
            Maar ja, we zijn nog niet zover, we leven nog op deze aarde, ook al we het verlangen hebben ooit daar te komen. Wat moeten we  doen, totdat we nog ons in deze aardse tent vertoeven? We moeten opletten dat we dit aardse leven niet als een nodige kwaad of als op een dwangspause opvatten.Dat we dit leven niet in niks-doen doorbrengen. Voor Paulus is de tijd niet een niks-doen, maar een dienst. Paulus heeft een prachtige doel, totdat hij nog in deze lichaam is: om de boodschap van de hemel aan des te meer mensen doorgeven, dat hij dit brengt tot het eind van deze wereld. Hij wil behagen aan de Heere. Hetzij inwonend, hetzij uitwonend Hem welbehaaglijk te zijn.
Totdat wij nog in deze lichaam zijn, we doen, wat we moeten doen. Want één keer moeten we rekenschap afleggen: wat hebben wij in dit aardse leven gedaan? We moeten verschijnen, openbaar worden vóór de rechterstoel van Christus., opdat iedereen vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
            Alles samenvattend: We hebben hier een dienst, om hemelse mensen te zijn, om te laten zien aan iedereen, wat er betekent met twee voeten hier op de aarde te leven, maar tegelijkertijd verlangend om straks in de hemel te komen. We moeten nu bouwen aan een prachtige gebouw en deze gebouw heet: de koningrijk van God. Dit gebouw kunnen we niet zien op deze aarde, alleen in delen. Maar straks , als we in de hemel komen zullen we deze gebouw in volle pracht mogen zien. En de grootse vreugde zal zijn, dat wij aan de opbouw van deze gebouw ook een steentje mochten leggen.
            Onze kontakten, ook dez reis hoort in deze prachtige gebouw, wat we één keer mogen zien. Want de grote dag nadert. Christus komt terug hetzij onze aardse tijd al tot die tijd afbreekt, hetzij wij dit in leven beleven. Moge ons deze uur in werk, in dienst vinden. Wij zijn nog hier, maar we gaan naar onze Jezus toe. Hij is heengegaan om ons een plaats toe te bereiden in het huis van onze vader. We zijn 1-2 jaar bezig met het klaarmaken van een aardse huis, en hoe mooi is dan dit huis. Maar Jezus is al 2000 jaar lang bezig om voor ons een huis te bereidden, hoe mooi zal dat huis zijn! Ik pleeg bij alle zulke gelegenheden te zeggen., bij een kerkdienst, doop, huwelijk, begravenis, of vergadering of wat dan welke bijeenkomst: zo zullen we nooi meer samen zijn, deze gemeenschap vergadert zich nooit meer in deze samenstelling. Maar God geve, dat we daar in de hemel  mogen elkaar allemaal ontmoeten.
                                                                                                Amen


Putten, 21 mei 2017                                                               ds. Lőrincz István

2013. szeptember 15., vasárnap

Preek in Kamperveen en Putten
Text.Ef.5,6-8

Gebed: Help ons  hier binnenkomen, met het heilige verlangen en dorst: we willen weten wat is Uw wil. Vergeef, dat we vaak zo hier komen, dat we vasthouden aan onze wil, en we willen onze wil op U aandwingen, dat U ons wil zou doen. En we willen om vergeving bidden, omdat we zo veel kapotgemaakt hebben, zo dat onze wil is geschieden. Trek nu ons naar U toe, neem ook onze vermoeidheid weg, met Uw Woord verlicht ons en genees ons.

Preek: Iedereen weet, dat we nu in zo een wereld leven, dat al in bijna elk huis, maar in het bijzonder in cantoren en oficiele gebouwen zijn alarmsistemen gemonteerd, dat als dieven of kwaadwillende en makende mensen zouden zich nadern,  de alarm moet in werking komen. Het is erg vervelend, als de dief komt, als er een gevaar is, en de alarm zwijgt. De meeste dieven weten dit ook, en ze hebben vaak middelen om de alarm buiten werking te zetten, of ze loeren op zulke momenten als de alarm niet aan staat. Maar ik wil nu niet over beveiliging van de huizen en cantoren spreken, alleen dit als een voorbeeld gebruiken voor ons geestelijk leven. Want het is net zo passend op ons geestelijk leven, op ons gemeente-zijn, dat er een grote kwaad is als de alarm niet aan is. Maar er is ook slecht, als de alarm begint te gaan, maar niemand erop let. De text,die ik net voorgelezen heb is een geestelijk alarm voor ons. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, met ijdele woorden. Dus hier ziet de apostel een gevaar. Apostel Paulus zag een gevaar ,die toen de gemeenten bedreigde. Maar niet alleen toen, ook nu zijn grote gevaren, die het leven van ons en van onze gemeenten bedreigen. Het is de moeite waard, om na te kijken: wat waren de gevaren van toen, en wat zijn de gevaren van vandaag. De gevaren zijn bijna dezelfde:voordat de apostel over de gevaren zou spreken hij herinnert de gemeente aan het feit, dat zij zijn kinderen van het licht .: Als ze kinderen van het licht zijn, dan moeten ze ook ernaar handelen. De leden van de gemeente in Efeze zijn kinderen van het licht geworden, omdat ze hebben het licht van de wereld aangenomen,dus Jezus Christus. Niet alleen teoretisch, niet alleen in hun hoofd, maar in hun ziel en leven. Jezus Christus mocht Heer worden over hun leven. Voordat ze het evangelie hoorden, waren ze kinderen van de duisternis, ze leefden in dusternis. Wat betekent dit.? In duisternis leven betekent, dat je  jezelf niet ziet, maar ook de andere mens niet.De mens,die in de duisternis leeft ziet niet, wie hij of zij is. Hij, zij weet niet, wie ben ik eigenlijk? Maar hij, zij ziet ook niet: wie is God. Dat iemand zichzelfe en God mocht zien, daarvoor is nodig, dat een licht zou beginnen te branden in zijn, haar hart. Dit licht kann alleen God aansteken. God heeft een wonderlijke middel, die licht in ons maakt, en dit is zijn Woord. De gelezene en de gepredikte Woord ook. Als het Woord van God hier klinkt, als zijn Woord gepredigt is, dat wordt een lamp aangestoken, want God wil, dat Jezus Christus zou lichten in ons leven. Als ik al Jezus zie, dan zie ik ook mezelfe. Dat ik een zondaar ben. In dat moment, als Christus als een licht in een leven van een mens verschijnt, dan begint de mens te zien zijn heiligheid, zijn schoonheid, zijn gerechtigheid, maar tegelijkertijd begint de mens te zien, dat hij is vol met boosheid, met onreinheid, goddeloosheid. Totdat een mens Jezus niet ziet, hij kann zeggen: o, ik ben een goede, eerlijke mens, ja ik heb ook een paar fouten, maar dit heeft iedereen, maar als ik zie de heilige God, dan zie ik ook, dat ik vol zit met zonde en ongerechtigheid. Dat is gebeurd in het leven van de mensen in Efeze, ze hebben ingezien, dat als ze zo blijven, hoe ze geboren waren, als er geen verandering in hun leven komt, dan zal het met hun niet goed komen. Ze hebben ook begrepen, dat straks iedereen moet verschijnen vóór de gericht van God, en daar kunnen we ons niet met andere mensen vergelijken. Want daar zal ons God onderzoeken, zal ons God beoordelen. Ze hebben dit ingezien, en ze hebben Jezus in hun harten binnengelaten, die het licht, de genade,de vergeving en de verandering kann geven. En ze hebben ook gezien en geloofd, dat Jezus kann een nieuw leven, en ander leven geven, die totaal anders is, dan hun leven tot nu toe. Vroeger,zegt Paulus Jullie waren kinderen van de duisternis, maar nu zijn jullie kinderen van het licht. Christus heeft intrede gemaakt in Jullie leven, en heeft een nieuw leven Jullie geschonken. De gemeenteleden van Efeze hebben ingezien, dat in deze wereld zijn twee soorten normen en waarden, twee levenspatronen. De levenspatroon van de wereld en de levenspatroon van Gods kinderen. En als deze mensen dit ingezien en geloofd hebben, dan is een diudelijke scheidinglijn gekomen tussen de twee levenspatronen. Tussen de levenspatroon van de wereld, van de duisternis en de levenspatroon van Christus, van het licht.
            In de centrum van de levenspatroon van de wereld staat de mens zelf, hij bepaalt eigenlijk naar zijn eigen wil hier alles. Daarom zijn de levenspatronen in deze wereld zo onstabiel, wisselend, want de mens bepaalt wat is moreel en imoreel, wat is waarheid en wat is leugen, wat is eerlijk en gemeen, wat is slecht en goed. De mens bepaalt hier alles, hij zegt over alles een oordeel. Dit zien we helaas heel goed in onze landen in heel Europa. God heeft hier niks te vertellen, niemand vraagt naar zijn wil. Met grote droefheid moeten we vaststellen, dat in de levenspatroon van Europa heeft God en zijn Woord geen plaats, want hier wordt alles door de mens bepaald. De levenspatroon van God, waar Jezus alles bepaalt, is totaal anders. En die mensen, die naar deze levenspatroon handelen, hebben en totaal andere verhouding tot de zonde. De kinderen van de duisternis hebben de zonde lief, ze houden van de zonde. God zegt over vele dingen van deze wereld, dat deze zijn zonde onreinheid, leugen, maar de mensen houden van deze dingen. De mens houdt van de wraak, want hij houdt van terugslaan, de mens heeft het lief de ontrouw, de mens wil graag zonder werk rijk worden, de mens houdt van alles waarover God zegt: ik haat deze dingen. De kinderen Gods zijn ook niet zonder zonde, maar ze hebben een hele andere verhouding tot de zonde. De kinderen van het licht haten de zonde, de kinderen van het duisternis houden van zonde, bewaren en beschermen de zonde. De kinderen van de duisternis zoeken de zonde en de gelegenheden, waar ze zondigen kunnen, de kinderen van het licht vluchten van de zonde, en ze vermeiden de plaatsen waar ze in verzoeking zouden kunnen komen.  De kinderen van God kunnen ook in verschillende zonden vallen, maar ze voelen zich niet goed erin. Ook een kind van het licht kann in ruzie komen met zijn vrouw of met haar man, of met iemand anders, maar hij voelt zich niet prettig in deze situatie, en hij of zij probeert zo spoedig mogelijk de zaak in orde zetten. De kinderen van het licht kunnen ook in kleinere-grotere zonden vallen, maar ze schamen zich daarvoor, ze willen daarin niet blijven, ze bekennen de zonde, ze proberen zich niet verontschuldigen. De kinderen van het licht hebben dus een totaal andre verhouding tot de zonde.
            Maar we waren al bezig aan het begin van deze preek van gevaar te praten. Ook in Efeze verschijnt een gevaar. En dit gevaar is, dat in Efeze worden inhoudsloze, ijdele woorden gesproken. Het is hier een interresante woord in het grieks, je kunt vertalen: leugenachtige logos, dus woord. Paulus waarschuwt: een leugenachtig woord verspreidt zich tussen jullie, een kwade denken. Wat is dit dit leugenachtig woord geweest in Efeze en ook onder ons? Ik kann zo formuleren: je moet het licht en de duisternis niet zo scherp van elkaar scheiden. De gevaar is niet zo groot, je moet niet overdrijven. Je moet deze zaak met licht en duisternis niet even zo ernstig nemen. Je moet de woorden van Jezus niet zo ernstig nemen in alle vragens. De levenspatroon van Jezus moet je proberen vermengen, harmonizeren met de levenspatroon van deze wereld. Je moet deze twee werelden in een goede evenwicht bij elkaar brengen en samen houden. Bij voorbeeld: ja, de feestdagen, die zijn zeker van Christus, jullie komen samen, bidden, jullie komen tot avondmaal, jullie luisteren naar Gods Woord, maar de andere dagen, die zijn van jullie. Jullie moeten de feestdagen en de werkdagen een beetje harmonizeren, een beetje delen, de feestdagen, de zondagen zijn van God, en de werkdagen zijn van jullie. Jaren geleden had ik een scriba. Hij was al met pensioen, maar vroeger werkte hij in een magazijn met elektrische materialen. We hebben redelijk veel spullen nodig bij de bouw van een nieuw kamer, en hij zij steeds: je moet dit niet kopen ik zal brengen van thuis. Ik was verbaasd dat hij alle spullen thuis had, en ik vroeg: hoe heb je zo veel materiaal thuis? Dan antwoordde hij met een sluwe glimlach: domine maar je moet ook je kop gebruiken. Ik heb van mijn werk zo veel weggenomen, dat ik kann een hele huis mee verzorgen. Hij was verder een lieve man, elke zondag netjes in de kerk, hij was ook erg hulpbereid, maar hij dacht: je moet deze twee werelden, het geloof en het wereldse denken met elkaar harmonizeren. Hij dacht: ja mijn ziel is van God, maar mijn hoofd is van mij, en die moet ik goed gebruiken, en ik moet net zo doen, als de kinderen van deze wereld. De gevaar in Efeze en ook bij ons is, dat we het licht en de duisternis met elkaar vermengen en komt een prettige grijsheid eruit, die ook niet licht, maar ook niet donker is., zo zijn we goed ook voor Jezus, maar ook voor de wereld.
            Maar Paulus trekt de alarm en zegt: opletten, want dit is een leugenachtig woord, jullie moeten niet misgeleid worden door deze woorden, want als dit gebeurt, dan komt niet goed met jullie. Om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. En lieve broeder en zusters, als ooit deze leugenachtige woord aanwezig was, dan dit is vandaag wel aanwezig. En het zal zich erg snel verspreiden. Dit kunnen we al in de kerken zien. Toen ik voor de eerste keer 16 jaar geleden op een gevangenispredikantenconferentie in Praag was, gingen we zondag in een duits-lutherse kerk. Ik was erg benieuwd natuurlijk op de prediking, maar daar was geen spoor van prediking. Het was wat gezang, en dan kinderen hebben spelletjes gedaan onder een regenbogen, want het ging over de geschiedenis van Noah. De spelletje was leuk, de kinderen lief, maar dit kon ook in een poppentheater net zo goed gebeuren, daarvoor moet je niet kerk zijn. Je wist niet precies of je in een eredienst of op een theaterstuk was. Niet spreken over de conferentie, waar de hoofdthema was een prezentatie van een japaanse meditatiesisteem. Ik was weer verbaasd en ik vroeg de duitse predikant, die de spreker was en zij: dit was erg interressant, maar waar komt hier God ter sprake, dan zij hij: lieve Istvan, maar God hoef hier helemaal niet ter sprake komen. Na de eerste dag, als ik zag, dat er geen gebed zal uitgesproken worden vroeg ik weer met mijn naiviteit: zullen we niet de dag met een gebed afsluiten, dan keek de leider me verbaasd aan en vroeg: ja Istvan, je hebt dit nodig, nou dan mag je een korte gebed uitspreken, maar op onze conferenties is dit geen gewoonte meer. Met deze voorbeelden wilde ik maar laten zien, hoe sluw komt deze leugenachtige woord tot ons en we laten ons misleiden erdoor. De heidendom komt binnen ook in de kerk. In beste geval de mensen schijnen nog in de kerk christenen te zijn, maar thuis zijn ze puur heidens. Onlangs een buurjongens ging trouwen, en ik was ook uitgenodigd op de bruiloft.Ik heb natuurlijk aan het begin gepreekt, Gods Woord verkondigd, maar daarna kwam de party, met al die viese, dubbelzinnige soms goddeloze liederen, die de mensen daar met volle borst gezongen hebben. Ik weet niet hoe hier is, maar bij ons is het bijgeloof en de occultisme een groot probleem. Dat mensen die de Bijbel lezen, geloven ook in verschillende tekenen, maar ze lezen dagelijks ook de horoskope, ze zijn bang van een zwarte poes of van het getal 13. Bij ons des te meer gebeurt, dat er rijst over de bruidspaar wordt gegooid, en ze weten niet, dat dit een oosterse tovenarij is, een vruchtbaarheidskultus. Sommige mensen zijn trots,dat ze gereformeerd zijn, maar ze doen een hele boel dingen, waarover God zegt: ik haat deze.
            Ja, het is een groot gevaar, het licht met de duisternis te vermengen.Paulus terkt de alarm, en zegt :neem niet deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskeer ze veeleer. Jullie mogen voor geen ogenblik vergeten, dat Jullie zijn nu kinderen van het licht, en jullie hebben nu een andere norm, en deze norm is de wil van de Heere. Wij moeten bij elke daad bedenken: wat zou nu Jezus doen? Als ik jong was, hing nog bij vele gelovige mensen een houten plankje met de opschrift? En wat zegt Jezus ertoe?  Dit plaatje hing soms in voorkamer , woonkamer, slaapkamer, en het was erg nuttig. Want soms kwam de man en vrouw in ruzie en ze zagen de schrift:wat zegt Jezus ertoe? Of het kind heeft iets lelijks gezegd in ongehoorzaamheid tegen zijn ouders, en hij zag de plaatje en was beschaamd. Of vrienden gingen kwaadaardig kletsen over iemand achter zijn rug, en dan moesten ze zien: wt zegt Jezus ertoe?  De gelovige mens heeft één enkele voorwaarde: wat is aangenaam vóór de Heere?
            En terugkerend tot het begin van deze preek: we moeten niet denken, dat de alarm voor ons is niet nodig, of voor ons is niet geldig. Beter is als we ons leven, ons handelen, ons gedrag doordenken en proeven, en als wij de vraag voordurend stellen: ben ik in de daad een kind van het licht? God zij geprezen, als we kunnen vaststellen, dat we in de daad Gods in licht wandelende kinderen zijn. Maar als we kinderen van het licht zijn, dan mogen we niet deel nemen in vele zaken van deze wereld. En we moeten erg opletten, dat we het licht met duisternis niet vermengen.
            We hebben in deze dienst een ernstige waarschuwing gekregen.Dit moeten we ter harte nemen. Dit is ook een opdracht voor de volgende week. Het is een niet makkelijke, maar wel een heilige opdracht. Ik wens u en natuurlijk mezelfe ook kracht en zegen, om dit te mogen vervullen. Amen

Gebed.Heere we dankenU, dat U hebt in onze harten weer een licht aangestoken door Uw Woord.. We danken U dat U hebt onze greisheid ontmaskeerd, dat U waarschuwt ons van de gevaren, die ons bedreigen, ontferm U over ons, dat niemand zij, die van nu aan in duisternis blijft.Laat ons Jezsu Christus in Uw licht wandelen. Laat ons altijd uw wil zoeken, en wat in Uw ogen goed is. Help ons die dingen  haten, wat U haat. Bevrijd ons van boezemzonden, van zondige verslavingen. Laat ons kinderen van het licht zijn ook op onze werkplaats, in de school, in het gezin. We bidden voor alle mensen, die nog in geestelijke ellende en duisternis leven. We bidden voor onze kerken, onze landen en volken, voor de zieken en vertwijfelden, die in de diepten zijn.

2013. április 25., csütörtök


Preek in Schoonhoven op 28 april  Text.Joh.18,37a

Genadige, hemelse Vader! We danken U voor allem, dat we mogen hier zijn.Laat ons bedenken, wat een onverdiende liefde is, dat U laat ons in Uw aanwezigheid komen. We loven U voor de geschenken, die we tot nu van U gekregen hebben, maar we weten, dat boven al Uw geschenken, het grootste geschenk is, dat we mogen U kennen, en we mogen U steeds meer leren kennen. We danken, dat we mogen in de gemeenschap met U leven, en dat we straks in de eeuwigheid een volmaakte gemeenschap met U mogen hebben. We danken U, dat U hebt ons voor het eerst geliefd. Het doet ons even daarom pijn, dat we soms zo liefdeloos zijn tegen U en tegen elkaar ook. Geef ons geloof, dat we mogen vandaag alles uit Uw hand nemen, wat U hebt voor ons toebereid. Geef, dat we nu Uw woord mogen ernstig nemen, en ons leven ertoe passen. Geef ons nu woord, woord, die uit Uw mond komt, dit niet ledig tot u terugkomt, maar dat het doet, wat U behaagt.Heere we zijn in alles op U aangewezen, we zijn nog halfklaar, ontferm u over ons, en U die het goede werk hebt aan ons begonnen, ga  verder met dit zalig werk. Verhoor ons in de naam van onze Heere Jezus Christus. Amen.
Ik groet U heel hartelijk, lieve broeders en zusters. Ik ben blij, dat we mogen weer met een grote  groep gemeenteleden  onder u zijn. Het is een mooie gewoonte geworden, dat als we hier zijn, krijg ik de mogelijkheid, dat ik mag Gods Woord aan u verkondigen. Een paar weken geleden heb ik mijn lieve vriend Wim een brief geschreven, met de vraag: waarover moest ik op deze zondag preken. Hij schreef toen, dat in Nederland nu de koningswisseling centraal staat, die over twee dagen gebeuren zal, en het zou goed zijn iets over de koningschap, koningrijk te zeggen. Nou, ik moet eerlijk zeggen dit is een reusachtige uitdaging voor mij, voor ons is niet zo makkelijk over koningschap iets te zeggen, wat we hadden in de laatste 60 jaren niet zo goede ervaringen met onze koningen, met onze leiders. We benaderen anders deze onderwerp, dan Jullie. Om dit te verstaan zal ik een aardige verhaal vertellen. Het is in september 1990 gebeurt, toen we allereerst in Nederland waren. We logeerden bij een lieve vriend, wijlen Herman Hekman, de schooldirecteur van Wekerom. Op een avond zegt Herman tegen me: heb je geen zin om even een poos te wandelen, want ik moet nog iets bij school doen. Waarom niet zei ik. We gingen dan in de hof van de school, daar stond een lange paal met de Nederlandse vlag en hij begon dit op te trekken. Ik vroeg hem: waarom doe je dit?  Hij zei: omdat onze prins Klaus morgen jarig is. Ik werd verschrikkelijk boos en ik zei: o wat vreeslijk, Jullie moeten dan net zo doen in Nederland, hoe wij deden in Roemenie, toen onze leider ook jarig was. Herman zei toen lachend: o ja ik begrijp jou, maar voor Jullie was dit een last, maar voor ons is een lust Ik heb voor het eerst in mijn leven meegemaakt, dat je mag van een aardse koning houden.
            Maar ik wil toch vandaag over de koningschap van Jezus preken, aan het eind probeer ik ook over de aardse koningschap wat zeggen.
            Jezus wordt vóór Pilatus gebracht op een vroege morgen, hij is erg verwonderd en hij vraagt:bent u toch een koning? De aanklagers zeggen, dat het gaat over een misdadiger, maar de vreemde ziet helemaal niet ernaar uit. Tenslotte begrijpt Pilatus, dat het gaat om een man, die voor zichzelf beweert , hij zou de koning der Joden zijn. Toen hij Pilatus nadrukkelijk de vraag stelt of dit klopt, dan zegt deze rare man: mijn koningrijk is niet van deze wereld. Hij heeft geen soldaten, die hem konnden beschermen. Als zijn koningrijk zou van deze wereld zijn, dan zouden zijn soldaten voor hem vechten, dat hij niett veroordeeld zou worden, maar zijn koningrijk is niet van hier. Wat Pilatus nog meer opvalt, dat deze rare koning klaagt met geen woord over het feit, dat hij geen soldaten heeft. Het blijkt, dat hij dit helamaal in orde vindt, dit is een feit waarover je hoeft niet je verbazen.
            Pilatus verwondert zich enerzijds over het feit, dat deze man beweert, dat hij koning is, maar anderzijds, dat als je op hem kijkt zie je niks ervan. Pilatus vraagt daarom: bent u dus toch een koning? Toch? Je bent toch een koning ondanks dat je hebt geen leger en geen scepter en kroon? Je hebt toch een koning ondanks, dat je hebt geen land, geen volk, over die je heerst, geen koninglijke paleis, waarin je zou prachtig wonen? Alles spreekt tegen, dat je koning bent, en je beweert dit toch? Ja, toch, maar mijn koningrijk is niet van deze wereld. Pilatus begrijpt langzaam, dat deze vreemde onderscheidt twee soorten koningrijken. Er bestaat enerzijds zijn koningrijk, die niet van deze wereld is, en er bestaan koningrijken, die degelijk van deze wereld zijn. Hij zegt het ook, dat een groot verschil is, dat de koningrijken van deze wereld hebben een leger, met vele soldaten, maar hij heeft dit allemaal niet nodig. Maar dit kann Pilatus juist niet begrijpen. Zijn verstand gaat alleen tot de aardse koningrijken, die b.v. oorlogen organizeren, andere landen veroveren, belasting vereisen. Pilatus kent alleen zo een koningrijk, die administratie bedrijft, die van alles, economie en politiek regelt. Hij begrijt dit soort koningrijk, wat boven deze is, dat kann hij niet bevatten.
            De meeste mensen zijn vandaag net zo met deze vraag. De meesten mensen zijn alleen in de aardse koningrijken geinterreseerd. Ik denk dat dit helaas ook in Nederland het geval is. De meeste mensen denken alleen aan die koningrijk, die nu koningin Beatrix aan zijn zoon Willem Alexander overhandigt.
            Met deze andere koningrijk is de zaak niet zo eenvoudig? Sommige zeggen: als Jezus koning is, dan waarom is zo veel zonde en ongerechtigheid op deze aarde.Waarom krijkt dan de Satan zo veel ruimte om te werken? Waarom vernietigt hij niet meteen de boze? Als hij koning is, waarom grijpt hij niet in, om de afloop van de geschiedenis te veranderen? Als je dit allemaal bedenkt: is Jezus toch Koning? Ja Hij is toch. De Koning vóór Pilatus blijft met de aantwoord niet schuldig: u zegt, dat ik koning ben. Hiervoor ben ik geboren en hiervoor ben ik in de wereld gekomen: om van de waarheid te getuigen. Ja, deze koning bleef niet in de hemel. Hij is mens geworden. En Hij is in deze wereld gekomen. En Hij werkt in deze wereld. Als Hij niet kwam, als Hij niet was, dan was ook geen kerk op deze aarde, en dan u en ik zouden vandaag ook niet hier zijn. Ja, zijn koningrijk, die niet van deze aarde is, is in deze wereld gekomen. Ja Hij is geemigreerd vanuit zijn land, en Hij heeft zich neergezet op onze wereld, En deze vraamde Koning staat nu vóór Pilatus, want Hij is zelf de koningschap. Pilatus mag Hem zien en betasten, want Hij staat vóór hem.
            Maar deze werld heeft deze koning niet aangenomen Deze koning moest in een stal geboren worden, Hij moest in een kribbe gelegd worden. Omdat Hij niet van dez e wereld was, zijn leven was een voordurende leed. Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus, hoe de Apostolische geloofsbelijdenis dit zegt. Deze Koning zal straks een kroon ook krijgen, maar niet van goud of diamant, maar van doornen. Deze Koning zal verhoogd worden, maar niet op een troon, maar op het kruis. En op dit kruis zal in drie talen staan, dat Hij toch een Koning is. Maar deze Koning zal ook sterven, Hij zal ook begraven worden. En Pilatus zal zijn graf afzegelen.
            Maar deze Koning blijft niet in het graf. Als de vrouwen s morgens vroeg tot de graf gaan, de steen is weggenomen, de graf is leeg en engelen staan voor de ingang. Ja in deze geheimvolle nacht tussen stille zaterdag en paasmorgen, de vraag van Pilatus wordt totaal beantwoordt. Ja, Hij is toch Koning, ondanks het kruis en ondanks de graf. En sinds die morgen klinkt voordurend glorieus over dze wereld: ja, Hij is toch een Koning.
            Ja, Jezus is toch een Koning. Hij wordt niet geboren in een koninglijke paleis en Hij is toch Koning. Hij wordt gelegd in de kribbe, maar hij is aangebeden door de herders en door de wijzen uit het Oosten. Hij heeft geen scepter en geen kroon, maar Hij gebiedt aan de boze geesten, Hij gebiedt aan de zee en golven, en die gehoorzamen hem. Hij heeft geen koninglijke eigendiom, maar Hij kann toch 5000 mensen verzadigen. Hij heeft geen enkele soldaat. En toch miljoenen strijden voor zijn zaak en voor zijn koningrijk op deze aarde. Want Jezus is toch een Koning.
            Sinds pasen weten we, dat zijn koningrijk is een realiteit op deze aarde. Sinds pasen deze vraag is geen vraag meer , maar een dierbare zekerheid, Hij is de absolute Koning, Hij eist alles voor zichzelf, hij heeft alles en iedereen nodig. Hij is de koning, en daarom eist Hij terecht alles van ons: onze lichaam en ziel, alles wat we hebben.
            Natuurlijk dit gelooft niet iedereen, en niet iedereen neemt Hem aan. En degenen, die Hem niet annemen, die vechten tegen Hem. Dit is de zonde van de mens. Dit is de eigenlijke zonde, de wortel van alle zonde, dat we in Koning Jezus niet geloven, dat we van Hem niet houden, in tegendeel, dat we Hem afwijzen en bespotten. Deze wereld ziet nu zo uit, hoe er uitziet, want Hij heeft deze Koning afgewezen, hij is in opstand gekomen tegen Hem.
            De tragedie van de mens is, dat Hij wil koning worden. Als we de lijdensgeschiedenis van Jezus nader bekijken, dat zien we dat Hij is de enige, die zich op een koninglijke manier gedraagt. Degenen, die hem beklagen, denken, dat zij heersen over Hem, en zien niet in, dat in feite de haat heerst over hun. Ze denken, dat zij Jezus binden, en zien niet in, dat zij zijn de gebondenen. Pilatus kann niks met deze koning beginnen. Hij wil los zijn van Hem, Hij is onaangenaam voor hem. Hij wil Hem teruggeven aan de Joden, dat ze Hem stenigen naar hun wet. Maar dit lukt hem niet. Want Jezus moet naar de Schrift sterven. Hier beslist niet Pilatus, ook niet de Joden, Jezus is ,die hier alles regeert en bepaalt. Hier kann iedereen alleen iets bijdragen, dat de Schrift in vervulling gaat. Zij allen, de Joden en Pilatus doen, wat deze vreemde Koning wil. Pilatus denkt, dat Jezus staat vóór hem, maar hij moet langzaam inzien, dat hij staat vóór Jezus. Pilatus vraagt, maar de antwoordt wordt door Jezus gegeven.. Pilatus is erg zenuwachtig, loopt omheen, Jezus staat in koninglijke rust.
            Jezus zegt hiet vóór Pilatus, dat Hij is de Koning. Maar Hij zegt nog wat: dat Hij is gekomen om van de waarheid te getuigen. En allen, die van de waarheid zijn, luisteren naar zijn stem. Pilatus meent iets over de waarheid te weten. Hij als romeinse ambtenaar weet, dat de leugen is iets lelijks, is een verwerpelijke zonde en de waarheid te zeggen is een mooie deugd. Dit heeft ieder ambtenaar in de Romeinse Rijk als kind al geleerd. Maar, wat hier Jezus zegt, dat Hij is gekomen, over de waarheid te getuigen, en degenen, die uit de waarheid zijn, luisteren naar zijn stem, dit heeft Pilatus nog niet gehoord. Dit hoort hij voor het eerst in zijn leven. Pilatus weet, dat de filozofen proberen een ideologie op te stellen, waarvan ze beweren kunnen, dat dit de waarheid is. Maar dat de waarheid een persoon zou zijn, die ooit vóór hem kon staan, en die hem tot een beslissing dwingt, dit had hij nooit tot nu toe gedacht.
            Maar wat er betekent uit de waarheid zijn? Betekent eenvoudig: zich vóór deze Koning buigen, deze Koning tot zich grijpen, vóór deze Koning bekennen: ik ben een zondaar, tot deze Koning roepen: wees genadig tot mij als zondaar, want anders ga ik verloren. De tragedie van Pilatus, de tragedie van de mens is, dat hij wil dit niet doen. Pilatus buigt zich niet vóór deze Koning, maar hij kruisigt Hem.
            Maar God zij dank, niet iedereen doet als  Pilatus. Daar op het kruis, de misdadiger, die op Zijn rechte kant geruisigd was roept tot Jezus. Heere denk aan mij, als U in Uw koningrijk gekomen bent. En hij krijgt de antwoord: Voorwaar ik zeg u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn. En de ofiicier die de kruisiging leidt roept ook:waarlijk hij was de Zoon van God., Hij was dus een Koning.
            En na de opstanding Koning Jezus begint zijn leger te verzamelen. Hij heeft de Heilige Geest gezonden, die dan allen vergadert, die uit de waarheid zijn, die luisteren naar zijn stem. Vandaag zijn wij, de christelijke kerk, die getuigen: Hij is onze Koning. In de Nederlandse geloofsbelijdenis staat zo mooi: Christus is zo een Koning, die nooit zonder onderdanen blijft.
            Over twee dagen krijgt Nederland een nieuwe koning. Dit is een grote gebeurtenis in uw land, in uw leven, die we nu ook wij mogen meemaken. Wat zouden we toewensen aan de nieuwe koning en zijn volk? Dat Jullie nieuwe koning niet doet, wat daar Pilatus deed. Dat hij bewust zou zijn, dat alle macht op hemel en aarde is aan Koning Jezus gegeven. Dat hij als aardse koning zal alleen zo blij zijn, als hij tegen deze hemelse Koning gehoorzaam is, en hij zal leren aan zijn volk dit ook doen. Ja overmorgen zal een groot gebeuren in Nederland zijn. Komt een nieuwe koning. Maar we moeten en mogen een ding niet vergeten: de aardse koningen zullen ook weggaan. Maar onze Koning zal één keer terugkomen en Hij zal dan voor goed bij ons blijven. Zalig zij, die op Hem wachten. Zalig zijn al degenen, die nu al huldigen vóór Hem. Die hier Zijn onderdanen waren, zullen tot in de eeuwigheid met Hem blijven.
                                                                                                            Amen.

Gebed: Heere we danken voor Uw Woord, die ook vandag mocht klinken. We danken, dat we mochten horen over onze machtige Koning Jezus Christus. We danken voor zijn ootmoed, dat Hij bereid was de hemel te verlaten en Hij is gekomen om onder ons te wonen. We danken, dat Hij bereid was voor ons te lijden en te sterven. Maar we danken voor Zijn opstanding uit de doden, dat Hij heeft de dood overwonnen. We danken U dat Hij nu mag zitten op Uw rechterhand,  en Hij regeert nu in het bijzonder over Zijn kerk, maar ook over deze hele wereld. We danken, dat we mogen dit met de ogen van het geloof nu zien, en straks ook van aangezicht tot aangezicht. We danken U, dat we mogen Zijn onderdanen zijn, we mogen onder Zijn liefdevolle heerschappij leven.
            We danken ook, dat ook op de aarde uit Zijn wil koningen , leiders mogen boven ons gezet zijn. We danken, dat dit land over twee dagen een nieuw koning mag krijgen. Heere God wilt U zegenen, dat hij ootmoedig mag blijven, dat hij U niet vergeet, dat hij Uw wil dagelijks vraagt, dat hij met liefde bewogen regeert over zijn aardse onderdanen. Geef hem wijsheid, sterkte, gezondheid en alles wat hij in deze ambt nodig heeft. Zegene ook alle leiders van deze wereld, ook in ons land. Geef, dat ze alles doen voor onze voorspoed, en geef dat ze naar vrede streven. Zegenen nu onze samenzijn in deze dagen. Geef, dat ondanks al de verschillen in taal, cultuur en gewoonten .